Banner breed
     

Inbreng ChristenUnieInbreng ChristenUnie

U bent hier:
ChristenUnie Alphen aan den Rijn
Dossiers
WMO
Inbreng ChristenUnie

Bijdrage ChristenUnie

CHRISTENUNIE – fractie Tweede Kamer

Spreker: A. Rouvoet – Algemeen overleg

 Onderwerp:   Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

Nummer:       29 538

Datum:           9 december 2004

Inleiding

  • De discussie over de WMO heeft tot veel onrust in de samenleving geleid. (Opgeschort VNG-overleg, legio congressen en forums). Positief is de maatschappelijke betrokkenheid die hieruit blijkt. Een compliment voor de staatssecretaris valt hier echter niet te maken: de samenleving is lang in het ongewisse gelaten. Vele organisaties vreesden voor een verkapte bezuinigingsmaatregel. De ChristenUnie-fractie heeft begrip voor de kritische houding van gemeenten en maatschappelijke organisaties. Er ligt nog geen wetstekst!
  • Mijn fractie hecht er veel waarde aan dat de staatssecretaris in overleg blijft treden met maatschappelijke organisaties en gebruik maakt van hun kennis en ervaring. Het is belangrijk om maatschappelijk draagvlak te krijgen voor het nieuwe systeem. Wij zijn dan ook blij met het hervatte overleg met de VNG.
  • We vinden het begrijpelijk dat er wordt gezocht naar een mogelijkheid om de AWBZ tot de oorspronkelijke bedoeling (namelijk onverzekerbare risico’s) te beperken. Voor de ChristenUnie is het duidelijk dat het huidige systeem voor zorg en dienstverlening onhoudbaar is voor de toekomst. De AWBZ was bedoeld voor onverzekerbare risico’s en dat moet overeind blijven staan. Deze risico’s betreffen de gevolgen van chronische ziekten, lichamelijke en verstandelijke handicaps en de opname in verpleeghuizen (Pagina 4 van de Contourennota.). Daarom steunt mijn fractie een heroriëntatie van het beleid, maar we willen wel een open discussie. Het is de vraag of het terecht is dat de staatssecretaris de motie Vietsch als “een steunbetuiging voor de WMO” mag ervaren.
  • Mijn fractie vindt het op zichzelf goed om discussie over zorg die ‘voor altijd en iedereen beschikbaar moet zijn’ te voeren. De overheidstaken zijn lang overschat, zeker als het gaat om de AWBZ. Dit is de mede het gevolg van de maatschappelijke trend van individualisering en afnemende sociale cohesie, waardoor mensen zich sneller en meer tot de overheid wenden. Wanneer de overheid een stap terug doet in het voorzien van zorgbehoeften, zijn mensen meer op elkaar aangewezen. Wel moet dan duidelijk zijn wie voor deze mensen met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zouden kunnen zorgen en wat er gebeurt als deze mensen geen medemensen hebben waar ze op kunnen terugvallen. Positief is de ChristenUnie over de nagestreefde vermaatschappelijking (Onder ‘vermaatschappelijking’ wordt verstaan: het streven om mensen met lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen, chronisch zieken en kwetsbare ouderen een zinvolle plek in de eigen ‘normale’ lokale samenleving te laten innemen en hen waar nodig te ondersteunen. Deze community care leidt tot de de-institutionalisering / extramuralisering van de zorg.) van de zorg en de mogelijkheid om zorg en welzijn op lokaal niveau te integreren in een nieuwe vorm van dienstverlening. De mens is niet geschapen voor zichzelf, maar wordt geroepen tot dienstbaarheid en naastenliefde.


 

 

Mantelzorg

  • Met de komst van de WMO zal een groter beroep worden gedaan op mantelzorg (Het is goed om een onderscheid te maken tussen mantelzorgers en vrijwilligers. Mantelzorgers zijn naaste familieleden, kennissen of buren die op de bres staan voor hun medemens die hulp nodig heeft. Met vrijwilligers doelen we doorgaans niet op de familieleden. De inzet van vrijwilligers kan met zich meebrengen dat de druk op ‘werk’ van mantelzorgers verlicht wordt.). Wij signaleren een probleem als het kabinet het voornemen heeft nog meer gebruik te maken van mantelzorg en vrijwilligerswerk. Tegenstrijdig is dat het kabinet streeft naar een grotere arbeidsparticipatie, langer doorwerken en een 40-urige werkweek. De ChristenUnie wil graag weten welke ruimte er op het gebied van mantelzorg en vrijwilligerwerk zit. Kan de samenleving de nieuwe taak aan? Mijn fractie vraagt zich af of de mantelzorgers om meer hulp gevraagd kan worden.
  • Mantelzorgers moeten zoveel mogelijk ondersteund worden, bijvoorbeeld in een periodieke overname van de zorg (aanbod van respijtzorg). Wanneer mantelzorgers te maken krijgen met onredelijke kosten om hun taken te vervullen, acht mijn fractie het denkbaar dat hiervoor een financiële onkostenvergoeding komt. We zijn blij dat de motie Van der Vlies met betrekking tot fiscale faciliëring wordt uitgevoerd en we staan zeer positief tegenover de initiatieven in de maatschappij om zorgvragers en vrijwilligers bij elkaar te brengen (Op dit moment biedt Curadomi via haar internetsite een programma aan waarmee vrijwilligers en zorgvragers bij elkaar gebracht kunnen worden. Reliëf, een christelijke vereniging van zorgaanbieders, ziet voor zich zelf een taak weggelegd om vrijwilligers te ondersteunen.). Dit kan de druk op mantelzorg verlichten.
  • Ten behoeve van de kwaliteit van beleid vindt de ChristenUnie het belangrijk om mantelzorgers een stem te geven in het kwaliteitsbeleid van zorginstellingen en zorgaanbieders. Ook in de indicatiestelling zien wij een rol voor de mantelzorger weggelegd.

 

Recht op zorg (zie ook manifest)

  • De voorwaarde voor de komst van de WMO is dat het récht op deze ondersteuning wettelijk verankerd wordt. De ChristenUnie pleit voor een basisniveau aan maatschappelijke ondersteuning waar Nederlandse burgers op kunnen rekenen, ongeacht de gemeente waarin ze wonen. De prestatievelden in de Contourennota zouden moeten worden uitgewerkt naar landelijke prestatie-eisen. Dit zou bovendien ten goede kunnen komen aan de door mijn fractie gewenste benchmarking. Er moeten transparante wettelijke criteria komen. Bovendien vindt mijn fractie het belangrijk dat er een vangnet komt voor mensen die geen sociaal netwerk hebben.
  • Mijn fractie vraagt zich in dit verband af hoe het recht op ondersteuning en voorzieningen zich verhoudt tot internationale verdragen.
  • De ChristenUnie vindt het belangrijk dat de eventuele komst van de WMO gepaard gaat met zoveel mogelijk integraliteit. Er moet voorkomen worden dat er nieuwe schotten ontstaan tussen de verschillende functies of voorzieningen.
  • Tenslotte vraagt de ChristenUnie zich af wat de WMO betekent voor burgers die minder mondig zijn. Er is namelijk ook ‘ongevraagde zorg’ in onze samenleving, waarbij we moeten denken aan sociale psychiatrie en de verstandelijke gehandicaptenzorg.

 

Pgb

  • Mijn fractie vindt dat de mogelijkheid om gebruik te maken van een pgb gewaarborgd moet blijven. De instandhouding van het pgb is gewenst vanuit het oogpunt van de zelfstandigheid en inkoopmacht van zorgvragers. Waarom verwacht de staatssecretaris dat er minder beroep op de pgb-regeling zal worden gedaan door de WMO? (Brief van de staatssecretaris, “Het pgb gewogen”, 7-12-2004)

 

Gemeenten

  • De ChristenUnie vindt dat het gemeentelijke niveau het meest geschikt om maatschappelijke ondersteuning te organiseren. Gemeenten hebben kennis om beleidsterreinen aan elkaar te verbinden. Draagvlak voor deze verantwoordelijkheid, moet steeds gezocht worden. Daarom is overleg met de gemeentelijke overheden belangrijk. Opvallend is dat de gemeenten nu verwachten hoge uitvoeringskosten (De VNG denkt 20% van het WMO-budget nodig te hebben voor uitvoering, en 10% voor de voorbereiding bij gemeenten ) te krijgen als de WMO wordt ingevoerd. Dit zegt toch wat over de verwachtingen van gemeenten. Hoe gaat de staatssecretaris hiermee om?
  • De ChristenUnie vindt het belangrijk dat de staatssecretaris aandacht heeft voor de implementatie van de WMO in kleinere gemeenten. Volgens de ChristenUnie kleven er grote nadelen aan het voorstel van staatssecretaris met betrekking tot lokale beleidsvrijheid. Het gevaar van rechtsongelijkheid. De ChristenUnie stelt voor om landelijke normen te formuleren, waarin duidelijk wordt wie in welke situatie in aanmerking komt voor welke vormen van hulp, begeleiding en voorzieningen.
  • In dit verband willen we ook vragen naar de visie van de staatssecretaris met betrekking tot het opstellen van een gezamenlijk protocol door gemeenten. Er bestaat verwarring, want de staatssecretaris vindt het enerzijds niet wenselijk om een protocol op te stellen vanwege de beleidsruimte voor gemeenten en anderzijds stimuleert zij het juist, waar het gaat om kleine gemeenten.

 

Financiën

  • Mijn fractie vraagt zich af of er voldoende middelen beschikbaar zijn ten behoeve van de voorbereiding van de WMO en bijbehorende overheadkosten. Wat vindt de staatssecretaris van het voorstel van de VNG, waarin gevraagd wordt om 20% uitvoeringsbudget en 10% invoeringsbudget? Ten aanzien van de beschikbaarheid van gelden moet ook gewezen worden op de genomen maatregelen in het kader van de OZB.
  • De ChristenUnie vindt dat het Rijk voorlopig verantwoordelijk zou moeten zijn voor de financiële risico’s van de WMO (Naar het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv). Maatschappelijke ondersteuning mag niet gaan concurreren met andere beleidsterreinen. Daarom pleiten wij voor geoormerkte gelden. Gelukkig sluit de staatssecretaris niet uit dat bij wijze van gewenning de WMO-gelden eerst via een specifieke uitkering worden uitgekeerd (zie vraag 325).
  • Veel waarde hecht mijn fractie aan een adequate verdeelsleutel. Zo moet rekening worden gehouden met de zorgbehoefte en de bevolkingsopbouw: het aantal ouderen en mensen met een handicap in een gemeente. Als de zorgvraag toeneemt, moet het beschikbare budget ook groeien.
  • De ChristenUnie acht het niet wenselijk dat de eigen bijdragen per gemeente sterk gaan verschillen. Vooralsnog wordt hier teveel ruimte gelaten aan gemeentebesturen. Op zijn minst denkt mijn fractie aan maximering van de eigen bijdragen van burgers. (Let op: over eigen bijdrage, brief nr 7)
  • Mijn fractie vraagt verder aandacht voor de BTW. Op dit moment wordt bij een RIO-indicatie tevens een BTW-vrijstelling afgegeven voor de levering van de zorgdienst. Wanneer over de huishoudelijke verzorging weer BTW zou worden geheven, brengt dit een kostenstijging van 19% met zich mee (Zoals gesignaleerd door Beeuwkes Thuiszorg). Hoe gaat dit eruit zien onder de WMO?

 

Invoering

  • De ChristenUnie acht een invoeringstermijn van 1 januari 2006 niet verantwoord. Noch de gemeenten, noch de samenleving lijkt daarop voorbereid. De ChristenUnie is blij met de toezegging van de staatssecretaris om de WMO gefaseerd in te voeren. De ChristenUnie vraagt zich of de voorbereiding van de implementatie al kan beginnen zolang er nog geen wet is, zoals de staatssecretaris voorneemt (zie vraag 136 en 340). Ook veel gemeentelijke organisaties hebben bezwaren geuit over de invoeringstermijn van de WMO. Het standpunt van de ChristenUnie is dat gemeenten en samenleving er klaar voor moeten zijn.

 

Verantwoordelijkheid werkgevers

  • Bedrijven kunnen ten aanzien van de arbeidsparticipatie van mensen met een handicap een rol spelen. Dit kan ook in het kader van de WMO. Werkgevers zijn verantwoordelijk voor het langer in dienst houden van eventueel ouder personeel of mensen, die minder productief worden. Hoe ziet de staatssecretaris deze verantwoordelijkheid?

 

Indicatiestelling

  • Mijn fractie vraagt in hoeverre een scherpere indicatiestelling kan bijdragen aan de gewenste ontwikkeling van vermaatschappelijking van de zorg. We weten dat in het kader van de AWBZ er al over nagedacht wordt om ‘gebruikelijke zorg’ scherper te indiceren. Zou daarmee niet al een heel groot deel van de problemen kunnen worden opgelost?
  • De ChristenUnie zou willen zien dat de indicatiestelling integraal, objectief en onafhankelijk is. De indicatiestelling voor de WMO komt volgens de huidige plannen bij de gemeenten te liggen die tevens uitvoerders van de wet zijn (zie ook beantwoording van vraag 336). Het is dan ook de vraag of het wenselijk is dat gemeenten het personeel van de RIO’s aannemen met het oog op de onafhankelijkheid.

Zorgaanbieders

  • Het is mogelijk dat de WMO leidt tot een toenemende bureaucratie, omdat zorgaanbieders steeds met afzonderlijke gemeenten zaken moeten doen. De ChristenUnie vraagt hoe er wordt omgegaan met gemeenten die een zorginstelling binnen hun gemeentegrenzen hebben en die een bovenregionale functie vervult. Krijgen de betreffende gemeenten extra financiële middelen om de welzijnsfunctie te financieren die nu nog via de AWBZ loopt?
  • De ChristenUnie wil graag weten of de markttoegang van de reeds bestaande thuiszorgorganisaties wordt gegarandeerd. Daarmee zou de keuzevrijheid voor cliënten overeind blijven, en dat vinden wij belangrijk. Wij zien een taak voor de provinciale overheden zorgaanbieders te ondersteunen.


 

Schriftelijke inbreng ChristenUnie

Schriftelijke inbreng van de ChristenUnie-fractie voor het verslag over het wetsvoorstel Nieuwe regels voor maatschappelijke ondersteuning (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) (30 131)

7 september 2005

De ChristenUnie-fractie heeft met kritische belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel Nieuwe regels voor maatschappelijke ondersteuning (WMO). De ChristenUnie is in beginsel positief over de nagestreefde vermaatschappelijking van de zorg. Onze fractie kan zich echter niet op alle onderdelen vinden in de manier waarop daar in dit wetsvoorstel handen en voeten aan wordt gegeven. Het wetsvoorstel vormt voor de ChristenUnie-fractie derhalve aanleiding tot het stellen van een aantal vragen.  

De regering beoogt met onderhavig wetsvoorstel de sociale participatie en samenhang te vergroten. Kernbegrippen daarbij zijn zelforganisatie, maatschappelijke binding en eigen verantwoordelijkheid (Memorie van Toelichting, p. 2). De leden van de ChristenUnie-fractie zien een duidelijke spanning tussen deze doelstelling en andere beleidsdoelstellingen van de regering zoals het vergroten van de arbeidsparticipatie? Ziet de regering deze spanning ook? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering welke maatregelen zij gaat nemen om deze spanning op te heffen?

In de Memorie van Toelichting staat op p. 3 dat in ieder geval die zaken van de AWBZ naar de WMO zullen worden overgeheveld, waarvan niet met recht gesteld kan worden dat zij onverzekerbaar zijn. In de eerste plaats gaat het om de aanspraak op huishoudelijke verzorging. Voor de langere termijn denkt de regering aan de aanspraken op ondersteunende en activerende begeleiding. Ook op pagina 7 staat dat met ingang van 1 juli 2006 de aanspraak op huishoudelijke verzorging vervalt en in een later stadium eveneens de aanspraken op ondersteunende en activerende begeleiding. Volgens de motie Vietsch is overheveling van de aanspraken op ondersteunende en activerende begeleiding echter afhankelijk van de resultaten van de pilots. De leden van de ChristenUnie-fractie willen graag van de regering weten in hoeverre zij nog voornemens is de motie Vietsch uit te voeren door de resultaten van de pilots bepalend te laten zijn voor de vraag of activerende en ondersteunende begeleiding kan worden overgeheveld naar de WMO.  

De regering wijst het advies van de RVZ voor een scheiding tussen collectieve en individuele voorzieningen af, omdat dit ten koste zou gaan van de samenhang tussen welzijnsbeleid en individuele voorzieningen (Memorie van Toelichting p. 6). Is dit echter wel een juiste voorstelling van zaken? De RVZ pleit voor een scheiding op het punt van het verplichte en het niet verplichte karakter van de taken. Dat laat echter onverlet dat er sprake kan zijn van samenhang. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering dit toe te lichten.

Op p. 7 van de Memorie van Toelichting staat dat gemeenten door de verschillende wetten en regelingen in de WMO te bundelen meer mogelijkheden krijgen om de regie te voeren over samenhangende activiteiten van aanbieders van zorg, wonen, welzijn en dienstverlening. De gemeenten hebben echter niet altijd invloed op zaken die rechtstreeks gevolgen hebben voor de vraag naar WMO-voorzieningen, zoals beslissingen rond AWBZ-indicatiestelling, investeringsbeslissingen in de zorgsector en de bouw van zorg- en ouderenhuisvesting door woningcorporaties. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoe kan worden voorkomen dat gemeenten hierdoor hun taak niet goed kunnen uitoefenen.                                                                                                                            

De WMO biedt de gemeenten meer mogelijkheid om ‘outreachend’ te zijn, om die burgers te bereiken die minder mondig zijn (Memorie van Toelichting p. 7). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering toe te lichten in welk opzicht de WMO meer ‘outreachend’ is.   

De regering heeft gemeend een wettelijke verplichting te moeten creëren om bepaalde prestatiegegevens openbaar te maken (Memorie van Toelichting p. 9). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om welke prestatiegegevens het hier gaat?

Op p. 10 van de Memorie van Toelichting staat dat gemeenten ook aandacht moeten besteden aan soms kleine groepen in de samenleving met een specifieke behoefte. Wat wordt precies verstaan onder ‘aandacht besteden aan’?  Hoe kan worden voorkomen dat gemeenten voorbijgaan aan de specifieke behoeften van kleine groepen? Juist kleine groepen lopen een verhoogd risico om door de verschuiving van taken naar gemeentelijk niveau buiten beeld te raken. Deelt de regering de mening van de leden van de ChristenUnie-fractie dat de positie van kleine groepen daarom beter in het wetsvoorstel moet worden gewaarborgd?   

De regering gaat uit van een dominante sturingsfilosofie: ‘regel het lokaal, horizontaal’. In deze sturingsfilosofie past volgens de regering geen zorgplicht, omdat de beleidsvrijheid van gemeenten daardoor wordt belemmerd. De ChristenUnie-fractie vindt dit een merkwaardige en discutabele redenering. Waarom wordt het accent gelegd op de sturingsfilosofie en niet op het zo goed mogelijk tegemoet komen aan de zorgvraag van burgers? (Memorie van Toelichting p. 10)

Hoe verhoudt het bovenstaande zich tot p. 4 van de Memorie van Toelichting waar staat dat de regering in dit wetsvoorstel uitdrukking heeft willen geven aan de balans tussen vrijheid en zekerheid. Deelt de regering de mening van de leden van de ChristenUnie-fractie dat de zorgplicht bij uitstek een goede balans vormt tussen enerzijds het huidige verzekerde recht en anderzijds een volledige gemeentelijke beleidsvrijheid?  

Het wetsvoorstel voorziet slechts in een tijdelijke zorgplicht voor een beperkt aantal voorzieningen. Deze voorzieningen zullen bij AMvB worden aangewezen (Memorie van Toelichting p. 11). De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom de nadruk wordt gelegd op flexibiliteit en niet op zekerheid voor zorgvragers door de voorzieningen in de wet vast te leggen.                                                                             

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom is gekozen voor een tijdelijke zorgplicht voor de duur van twee jaar? Waarom wordt het moment waarop de regering de zorgplicht wil laten vervallen niet gekoppeld aan de evaluatie van de wet?  

In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel wordt alleen ingegaan op de keuzemogelijkheid voor een persoonsgebonden budget (PGB). De ChristenUnie-fractie heeft echter voor het zomerreces een voorstel ingediend om optimale keuzevrijheid (ook voor de zorg in natura) in de WMO op te nemen. Dit voorstel beperkt tevens de administratieve lasten van gemeenten en zorgaanbieders. Het voorstel houdt in dat gemeenten (maximum)prijzen vaststellen voor bepaalde zorgpakketten. Deze (maximum)prijzen zijn gebaseerd op de prijsopgaaf van zorgaanbieders. Zorgvragers kunnen kiezen voor een duurdere zorgaanbieder, maar moeten daar wel extra voor betalen. Op dit voorstel werd door de staatssecretaris in eerste instantie positief gereageerd. In het wetsvoorstel en de Memorie van Toelichting is er echter niets van terug te vinden. De leden van de ChristenUnie-fractie willen van de regering weten of zij alsnog bereid is om dit idee in het wetsvoorstel op te nemen en zo nee, waarom niet?

De Kwaliteitswet zorginstellingen blijft van toepassing op de WMO. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom hier wel van het dominante sturingsmodel wordt afgeweken?  Is hier ook sprake van een tijdelijke maatregel? Wanneer de zorgplicht vervalt, is dan de Kwaliteitswet ook niet langer van toepassing?  

De regering kiest voor financiering via een integratie-uitkering uit het gemeentefonds. Dit betekent dat alleen de gelden voor huishoudelijke verzorging geoormerkt worden. Gemeenten kunnen wel bezuinigen op andere onder de WMO te brengen onderdelen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het daarom niet vereist is dat het totale WMO-bedrag binnen de gemeentebegroting wordt geoormerkt?

 

Artikelsgewijs
 

Artikel 1 lid 1. g. 4 regelt de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers. Hierop zal met de WMO een groter beroep worden gedaan. De regering schetst de maatschappelijke ontwikkelingen waardoor er steeds minder mantelzorgers en vrijwilligers beschikbaar zijn.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen van de regering weten welke concrete maatregelen zij gaat nemen om deze ontwikkelingen te keren.

In de Memorie van Toelichting staat dat het hier als regel zal gaan om algemene beleidsmaatregelen en minder om individuele voorzieningen. Mantelzorgers en vrijwilligers hebben echter met name baat bij individuele voorzieningen, zoals de mogelijkheid om tijdelijk op ‘adem te komen’. De leden van de ChristenUnie vragen de regering waarom er voor is gekozen om dergelijke voorzieningen niet in de WMO op te nemen.  

Artikel 3 bevat regels aangaande het gemeentelijke beleidsplan. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom in artikel 3 lid 1 wordt gesproken van één of meer plannen die door de gemeenteraad worden vastgesteld.  

In artikel 3 lid 2 staat dat de gemeenteraad het plan telkens voor een periode van ten hoogste vier jaar vaststelt. De leden van de ChristenUnie-fractie willen van de regering weten of een gemeenteraad kan besluiten om vaker dan eens in de vier jaar een plan vast te stellen?  

Artikel 3 lid 4 e geeft aan dat de gemeenteraad en het college van Burgemeester en Wethouders aan moeten geven welke maatregelen zij nemen om de keuzevrijheid voor zorgvragers te bevorderen met betrekking tot de activiteiten van maatschappelijke ondersteuning. De leden van de ChristenUnie-fractie vinden deze formulering niet sterk genoeg. Deelt de regering de mening van de leden van de ChristenUnie-fractie dat de keuzevrijheid in het gemeentelijk beleidsplan moet worden gewaarborgd?

Artikel 6 bepaalt dat een gemeente een PGB kan verlenen, maar daartoe niet is verplicht. Is de regering het eens met de ChristenUnie-fractie dat er in dit artikel ook sprake zou moeten zijn van keuzevrijheid met betrekking tot zorg in natura (optimale keuzevrijheid)? 

Artikel 10 lid 1

Het verlenen van maatschappelijke ondersteuning dient ‘zoveel mogelijk’ door derden te worden uitgevoerd. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering toe te lichten wat precies moet worden verstaan onder ‘zoveel mogelijk’. Dat het gemeentelijk loket daarbuiten valt is niet meer dan vanzelfsprekend. Zijn er andere voorbeelden denkbaar waarbij de gemeente de maatschappelijke ondersteuning beter zelf kan uitvoeren?

Kan onder het woord ‘uitbesteding’ (Memorie van Toelichting p. 33) ook iets anders dan aanbesteding worden verstaan? Zou het voorstel van de ChristenUnie-fractie met betrekking tot prijsstelling en keuzevrijheid van zorgaanbieders hierin passen?  

In Artikel 11 staat dat het college van burgemeesters en wethouders ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van het beleid betrekt. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat precies wordt verstaan onder ‘betrekt’?

De leden van de ChristenUnie-fractie willen van de regering weten wat er onder representatieve organisaties wordt verstaan (Artikel 12)? Hoe wordt de representativiteit gewaarborgd? Hebben de representatieve organisaties een mogelijkheid om in beroep te gaan, wanneer zij door de gemeente worden uitgesloten?  

Artikel 13 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het nodig is provincies een ondersteunende taak te geven? Kan deze taak niet door de VNG worden verricht?

In artikel 15 lid 3 wordt wederom ingegrepen in het dominante sturingsmodel. Bij of krachtens een AMvB kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage. De leden van de ChristenUnie vragen waarom de regering een dergelijke bepaling wel verenigbaar met het dominante sturingsmodel acht, maar verplichte keuzevrijheid niet? Wordt het Rijk hier niet bevoordeeld boven de gemeenten omdat in eerste instantie de eigen bijdrage op de AWBZ wordt geïnd?  

Artikel 17 lid 6 De in dit artikel opgesomde voorzieningen zijn toegankelijk voor iedereen die in Nederland woont. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of dit betekent dat deze regels voor zowel legaal als illegaal in Nederland verblijvende personen gelden?

Artikel 21 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of vier jaar niet een veel te lange periode is om de eerste resultaten van de WMO te kunnen beoordelen? Betekent binnen vier jaar dat ook na twee jaar een eerste evaluatie kan plaatsvinden? Is het niet wenselijk de evaluatie te koppelen aan het moment waarop de zorgplicht komt te vervallen?